Skip to main content
Bart Van Craeynest
  • 07/06/2019

COLUMN - Moeilijke omstandigheden

Alsof de kaarten voor de nieuwe coalitievorming nog niet moeilijk genoeg liggen, worden ook de externe omstandigheden er niet eenvoudiger op. Het zou ondertussen meer en meer duidelijk moeten worden dat de vooruitzichten waar de uiteindelijke nieuwe regering voor staat niet bepaald rooskleurig zijn. Dat schrijft Bart Van Craeynest, hoofdeconoom van Voka.

Terugkijkend had de vorige regering eigenlijk veel geluk met de omstandigheden. De volgende vijf jaar wordt dat heel wat minder. Tijdens de vorige legislatuur bedroeg de economische groei gemiddeld 1,6% per jaar. Maar de economische vooruitzichten zijn de jongste maanden duidelijk aan het verslechteren. De Amerikaanse rentecurve, die het verschil weergeeft in de marktrente op korte en langere termijn, dook de jongste weken duidelijk onder nul, wat de voorbije 60 jaar zowat de meest betrouwbare recessie-indicator was. Voorlopig zijn er nog geen signalen dat België op korte termijn in een nieuwe recessie sukkelt, maar de economie is wel duidelijk aan het vertragen. Volgens het Planbureau zakt het gemiddelde groeitempo de komende vijf jaar naar 1,2%. En daaraan hangen dan nog vooral neerwaartse risico’s zoals een verdere escalatie van de handelsoorlog en een harde brexit. Een extreem open economie als de Belgische is uitermate gevoelig voor dat soort risico’s.

Naast de verzwakkende conjunctuur worden ook de omstandigheden voor de overheidsfinanciën de volgende jaren een pak moeilijker. De impact van de vergrijzing schakelt immers een versnelling hoger. Zo namen de jaarlijkse overheidsuitgaven voor pensioenen en zorg tussen 2014 en 2018 met 0,4% van het bbp toe. Tussen 2019 en 2024 komt er een stijging met 1,4% aan. Daarnaast kon de vorige regering profiteren van een forse daling van de werkloosheid. Die compenseerde de stijgende vergrijzingsuitgaven waardoor de totale jaarlijkse sociale overheidsuitgaven tussen 2014 en 2018 zakten met 0,1% van het bbp. De volgende regering kijkt aan tegen een stijging met 1,2%. Daarnaast is er ook de rentemeevaller: dalende rentelasten leverden de vorige regering een besparing van 1,1% van het bbp op de jaarlijkse uitgaven op. Voor de volgende regering blijft die meevaller allicht beperkt tot 0,2%.

Welke regering het uiteindelijk ook wordt, één ding staat vast. Namelijk dat die geconfronteerd zal worden met duidelijk moeilijkere omstandigheden. Maar het grootste probleem wordt waarschijnlijk de overdreven verwachtingen bij grote delen van de bevolking. Toen de welvaartsstaat uitgebouwd werd, kon onze economie rekenen op een demografisch dividend, de bevolkingsgroep op actieve leeftijd (de potentieel werkenden) groeide toen fors, en een stevige economische groei. Tegen die achtergrond waren extra beloftes makkelijk te financieren. Dat demografisch dividend is ondertussen omgeslagen in een demografische uitdaging en de groei is tot op een laag pitje teruggezakt. Dat heeft uiteraard implicaties voor wat financieel mogelijk is op het vlak van hogere uitkeringen, minder lang werken, … De focus moet verschuiven van de verwachting en/of belofte van allerlei cadeautjes naar hoe we de huidige welvaartsstaat financieel overeind houden. Zolang dat niet lukt zullen structurele hervormingen blijven botsen op een muur van onvrede.

Contactpersoon

Bart Van Craeynest

Hoofdeconoom

ING
SD Worx