Skip to main content
Bart Van Craeynest
  • 24/05/2019

COLUMN - Vergeet die beloftes

Wie de voorbije weken de campagne volgde zonder voorkennis moet allicht denken dat we in een land leven met grote zakken geld op overschot en een formidabele economische groei. Het kon niet op met beloftes: lagere belastingen, hogere pensioenen, minder lang werken voor hetzelfde loon of zelfs meer pensioen, gratis dokters en openbaar vervoer, ... Nog twee dagen te gaan, en dan kunnen al die beloftes de vuilbak in. In pijnlijke tegenstelling tot het beeld dat in de campagne opgehangen werd, staan we immers voor enorme financiële uitdagingen en een periode van zwakkere economische groei. Vanaf 27 mei zal heel snel duidelijk worden dat er geen geld is voor al die beloftes. Integendeel, er zullen zelfs belangrijke inspanningen nodig zijn. Dat schrijft Bart Van Craeynest, hoofdeconoom van Voka.

Hoewel dat tijdens de campagne eigenlijk te weinig aan bod kwam, zijn de financiële uitdagingen voor de komende jaren enorm. Om te beginnen gaat de volgende regering van start met een structureel begrotingstekort. De ramingen daarvan variëren vandaag van 1,4% van het BBP volgens de Europese Commissie tot 1,9% volgens het Planbureau, of van 6,5 tot 8,8 miljard euro. In haar laatste stabiliteitsprogramma beloofde de regering Michel aan Europa dat ze tegen 2021 de begroting in evenwicht zou krijgen. Sommige partijen houden vandaag nog altijd vol dat dat zal lukken, maar dat is niet realistisch. Een begrotingsevenwicht in 2021 zou op twee jaar tijd een saneringsinspanning vereisen die gevoelig groter is dan de besparingsinspanningen van Michel. En dat zonder de compenserende belastingverlaging en de meevallende conjunctuur. Tegen de achtergrond van de verzwakkende conjunctuur is het niet ondenkbaar dat de saneringsinspanningen om de begroting kost wat kost tegen 2021 in evenwicht te krijgen onze economie richting recessie zouden duwen. 

En het begrotingstekort is maar één van de financiële uitdagingen. Zo schakelt de vergrijzing de volgende legislatuur een paar versnellingen hoger. Tussen 2014 en 2018 namen de jaarlijkse overheidsuitgaven voor pensioenen en zorg met 0,4% van het BBP toe. De volgende vijf jaar versnelt die stijging naar 1,4% van het BBP. Dat wordt allicht nog wat gecompenseerd door lagere uitgaven voor werkloosheidsuitkeringen, maar de totale jaarlijkse sociale overheidsuitgaven zullen in 2024 1,2% van het BBP hoger liggen dan vandaag. Dat komt overeen met 5,6 miljard in euro’s van vandaag. Voor de duidelijkheid, dit zijn extra uitgaven om de huidige voorzieningen van pensioen en zorg te financieren. Beloftes van hogere pensioenen en/of extra middelen voor de zorg, duwen die factuur nog hoger. Dat hogere pensioenen volgens de doorrekening van het Planbureau vlot betaalbaar zijn, is trouwens niet echt relevant. Die doorrekening loopt maar tot 2024. De echte financieringslast van hogere pensioenbeloftes begint pas op langere termijn door te wegen. 

Daarnaast is er ook nog het drama van de Belgische overheidsinvesteringen. België is al decennialang één van de landen in Europa met de hoogste belastingdruk. Maar evengoed is het ook één van de landen met de laagste overheidsinvesteringen. De Belgische belastingbetaler krijgt met andere woorden niet de infrastructuur waarvoor hij/zij betaalt. Dat werd de voorbije jaren pijnlijk geïllustreerd door de aftakeling van de Brusselse tunnels, maar wordt meer en meer doorheen de hele economie merkbaar. En impliceert ook belangrijke schade voor onze economie. Om de Belgische overheidsinvesteringen op het niveau van bijvoorbeeld Nederland te krijgen, is 5 miljard per jaar nodig. Om het investeringsniveau van toplanden als Zweden en Finland te halen, is dat zelfs bijna 10 miljard per jaar.    

Op de extra uitgaven voor pensioenen en zorg valt moeilijk te beknibbelen. Die factuur van 5,6 miljard in euro’s van vandaag ligt dus al klaar voor de volgende regering. Afhankelijk van het ambitieniveau op het vlak van het begrotingsevenwicht en de overheidsinvesteringen kan die oplopen tot 24 miljard. Ongeacht welke coalitie we straks krijgen, vergeet dus maar die vele verkiezingsbeloftes (of toch tenminste al die beloftes waar geld voor nodig is). De regering Michel had op begrotingsvlak vooral veel geluk met fors dalende rentebetalingen, gunstige conjunctuur en een al bij al nog beperkte vergrijzingsimpact. De volgende regering zal meer echte inspanningen moeten doen in moeilijkere omstandigheden. 

Misschien toch één essentiële tip voor die volgende regering: veruit het meest effectieve dat zowel de regering Di Rupo als de regering Michel voor de gezondmaking van de overheidsfinanciën deden, waren hun inspanningen om meer mensen langer aan het werk te houden. Volgens de Europese Commissie werd daardoor de vereiste inspanning om de overheidsfinanciën op lange termijn houdbaar te houden sinds 2012 met 3,1% van het BBP verlaagd. Dat komt overeen met een verbetering van 14,4 miljard in euro’s van vandaag. Diezelfde Commissie deelt België vandaag nog altijd in bij de landen met belangrijke financiële risico’s op langere termijn. We moeten dus op die weg verder. Het idee dat we met z’n allen minder kunnen gaan werken voor meer pensioen dat in deze campagne nogal verbijsterend kwam bovendrijven, zou volledig in de verkeerde richting gaan. Dat soort voorstellen vormt allicht de grootste bedreiging voor onze overheidsfinanciën, en dus ook voor onze welvaartsstaat, op langere termijn.   
 

Contactpersoon

Bart Van Craeynest

Hoofdeconoom

VZW - NBN
VZW - vGD
ING
SD Worx